Monitor Uitwintering Bijenvolken 2013


Hieronder een verzoek aan alle imkers om de Monitor Uitwintering Bijenvolken 2013 in te vullen.

Beste imkers,

Zoals in voorgaande jaren verzoek ik uw medewerking aan de Nederlandse Monitor Uitwintering Bijenvolken. De deelname is ieder jaar hoger wat belangrijk is voor een goed inzicht in de achtergronden van een goede of slechte uitwintering van de bijenvolken in Nederland.
Hieronder vat ik eerst de uitkomsten samen van de vorige Monitor. Een uitvoerig rapport hierover kunt u in de loop van de volgende week downloaden op www.beemonitoring.org (via het zijmenu)
Samenvatting Monitor Uitwintering Bijenvolken 2012
Aan de jaarlijkse monitor wintersterfte in 2012 is door 1673 Nederlandse imkers.
deelgenomen. 24% van de naar schatting 7000 actieve Nederlandse imkers heeft de vragenlijst ingevuld.
De totale wintersterfte 2011-2012 bedroeg 20,8% (3.107 volken) van  het aantal ingewinterde bijenvolken per 1 oktober 2011 (14.915 volken). De kleine groep imkers (1,4%) met meer dan 50 volken ondervond een bijensterfte van 15,4%, voor de imkers met maximaal 50 volken was dat 22,1%. Deze bijensterfte past in de trend van de 4 voorgaande jaren, waarin de sterfte voor de imkers met maximaal 50 volken varieert tussen de 22 en 23%.
Verder werden 1.650 volken (11,9%) van 13.879 ingewinterde volken, waarvoor deze informatie beschikbaar was, door de imker als zwak na de winter beoordeeld.

Sterke verbanden met wintersterfte werden gevonden voor
– de volgende door de imker als belangrijk gekwalificeerde drachtbronnen:  mais (hogere kans op bijensterfte), en heide (lagere kans op bijensterfte)
– de uitgevoerde varroabestrijding: imkers die zowel in de zomer als in de winter een bestrijding uitvoerden ondervonden een lagere kans op bijensterfte dan diegenen die alleen in de winter of alleen in de zomer bestreden of helemaal niet bestreden.
– de mate van raatvernieuwing: lagere bijensterfte voor imkers die 1-50% van hun oude bebroede ramen vernieuwden vergeleken met geen raatvernieuwing.

Zwakke verbanden werden gevonden voor
– herkomst van koninginnen: imkers die koninginnen uit buitenland importeren en natelen van geselecteerde moeren (lagere kans op bijensterfte) vergeleken met imkers die het produceren van een koningin aan het bijenvolk zelf overlaten.
– de volgende door de imker als belangrijk gekwalificeerde drachtbron (vergeleken met niet aangegeven als belangrijk): wilg (lagere kans op bijensterfte),
– de mogelijke aanwezigheid van bladhoning in de volken tijdens de winter, vergeleken met niet als mogelijkheid aangegeven (hogere kans op bijensterfte).
Belangrijk is dat wij gebieden konden identificeren, waar het risico op sterfte groter of juist kleiner was vergeleken met het Nederlands gemiddelde. Limburg, Brabant en Groningen waren, net als in het jaar daarvoor (!), de provincies met de hoogste wintersterfte. In onze analyse onderzochten wij ook verschillen tussen postcodegebieden. Daarbij corrigeren wij voor de bovengenoemde significante factoren. Dan blijkt dat een verhoogde kans op onverklaarde wintersterfte aanwezig was voor bijenvolken in aaneensluitende gebieden in Groningen, doorlopend naar het oosten van Friesland, in Limburg en in Brabant doorlopend naar Zuid-Holland. Op de Utrechtse heuvelrug, de Veluwe en in de Achterhoek was deze juist lager dan gemiddeld.

Hoe hoger de deelname aan de Monitor, hoe preciezer wij risicofactoren en gebieden kunnen identificeren en vervolgonderzoek naar verklarende factoren kunnen uitvoeren.
Daarom vragen wij u opnieuw om uw medewerking aan de jaarlijkse ‘Nederlandse Monitor Uitwintering Bijenvolken’. www.beemonitoring.org

De vragenlijst wordt ook ingesloten bij het volgende nummer van uw bijenblad. Wellicht kunt u uw collega-imkers stimuleren deze in te vullen en in te sturen.

Uw medewerking wordt zeer op prijs gesteld.

Romée van der Zee

Nederlands Centrum Bijenonderzoek
Dit onderzoek maakt deel uit van het BIJ-1 Project en wordt uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

Advertenties