Levenscyclus varroamijt


Voordat we mijten gaan tellen eerst een stukje over de levenscyclus van de varroamijt.
(Klik op de foto voor grotere foto)

IMG_20160701_091750Om zich te vermenigvuldigen of te reproduceren moeten foretische mijten broedcellen binnen gaan. Honingbijen maken van was een matrix met zeskantige compartimenten of broedcellen. Koninginnen leggen eitjes in die cellen waaruit na drie dagen larven komen die zich beginnen te ontwikkelen. Als de larven een bepaalde leeftijd bereiken sluiten de werksters de cel met een wasdeksel. Daarna veranderen de larven in een voorpop en daarna in een pop. Eénentwintig, vierentwintig, of zestien dagen nadat het eitje is gelegd lopen respectievelijk de werkster, de dar of de koningin uit.

De vrouwelijke varroamijten moeten de cel betreden voordat de bijen de cel verzegelen. Bij de Westerse honingbij kunnen zij of een werkstercel of een darrencel binnengaan. Daarbij heeft een darrencel de voorkeur. Een mijt die gereed is om zich te vermenigvuldigen verlaat de bij waarop zij meelift en stapt in de cel. Zij kruipt langs de wand naar beneden naar de larve op de bodem van de cel. Alleen cellen die op het punt staan te worden verzegeld zijn voor de mijt aantrekkelijk. Zij kruipt onder de larve en graaft zich in in de voeding van de larve waar zij blijft tot de cel is verzegeld. Als zij in het voer voor de larve zit gebruikt zij haar peretrimes, een soort snorkels, om te kunnen ademen. Als de cel is verzegeld door de werksters spint de larve zich in als een voorpop. Hierbij consumeert de larve het resterende voedsel in de cel en bevrijdt de mijt. Dit duurt tot zes uur na verzegeling van de cel. De mijt klimt nu op de larve en begint zich te voeden met hemolymfe van de larve. Ze ontlast zich op de wand van de cel terwijl ze zich voedt. Zesenzeventig uur na verzegeling van de cel legt zij een onbevrucht eitje op de wand van de cel. Net zoals bij de honingbij ontstaat er uit een onbevrucht eitje een mannelijke mijt. Hierna legt zij elke dertig uur een bevrucht eitje waaruit een vrouwelijke mijt ontstaat. Als de mijt niet goed bevrucht is geweest kan zij geen bevruchte eitjes leggen en ontstaan er alleen mannetjes. Op een werksterpop worden vijf en op een darrenpop zes eitjes gelegd.

map1Omdat werksters ongeveer elf dagen na verzegeling van de cel uitlopen en darren na veertien dagen zullen de meeste eitjes van de mijt zich niet ontwikkelen omdat een dochtermijt 6 dagen nodig heeft om zich te ontwikkelen. Het eerste dochtereitje wordt pas 76 uur plus 30 uur na verzegeling gelegd. Dat zijn 4 dagen plus 10 uur na verzegeling. Tel daarbij de ontwikkeling van het mijtenei naar volwassen mijt van 6 dagen dan is het totaal 10 dagen plus 10 uur. Er loopt uit een werkstercel dus maar 1 nieuwe vrouwelijke mijt uit. In een darrencel ontwikkelen zich 2 tot 3 mijten volledig. Het hele proces van ei tot volwassen mijt duurt voor beide sexen 6 dagen.
Elke moedermijt kan in haar leven 3 tot 4 maal in een cel stappen om te reproduceren.

De meeste eitjes hebben dus geen tijd zich te ontwikkelen naar volwassen exemplaar. Na het openen van de cel, omdat de werkster uitloopt of doordat de bijen de cel openmaken om broed te trekken, verdrogen de mannetjes en de niet volwassen vrouwtjes. Daarom zien de meeste imkers alleen de bruine vrouwelijke mijten en niet de witte onvolwassen vrouwtjes en mannetjes. (Die echter wel parasiteerden op de larve.) De mannetjes zullen, nog in de cel, herhaaldelijk paren met de volwassen vrouwtjes wat dan resulteert in het vullen van de spermatheek met ongeveer 35 spermatoïden. Hierna degenereert het sperma transportsysteem van de vrouwelijke mijt en zijn paringen in de toekomst niet meer mogelijk.

Ten gevolge van inteelt (mannetje paart met zuster(s)) is slechts 30% van de uitlopende vrouwelijke mijten vruchtbaar.

Als we de sterfte en onvoldoende geslaagde paringen in aanmerking nemen produceert elke vrouwelijke mijt die in een werkstercel stapt één nakomeling en twee tot drie nakomelingen in een darrencel. Hierdoor neemt de populatie mijten, bij een normale gemiddelde temperatuur, in een volk dat het halve jaar broed heeft toe met een factor 200. In volken die het hele jaar broed hebben is loopt dit op tot een factor 800. Dit maakt het moeilijk de mijt te controleren, zeker in streken met een warmer klimaat waar de volken het hele jaar broed hebben.

Wilt u meer weten over de ontwikkeling van de varroamijt? Download dan hier mijn gratis boek over de varroamijt.

In de volgende post: “de praktijk van het mijten tellen”.

Advertenties