Darrenvolken


Op een bevruchtingsstation staan darrenvolken. De koninginnen in die darrenvolken zijn allen zusters van elkaar en dochters van een koningin in een geselecteerd bijenvolk.
Dat bijenvolk is door ons geselecteerd vanwege het gedrag van de werksters in dat volk.
Zij hebben eigenschappen die ons bevallen zoals zachtaardigheid, rustig op de raat, zwermen niet en halen heel veel honing.
Uit zo’n volk telen we koninginnen want dat zijn zusters van de werksters in dat volk.
In het volgende jaar, als de volken van die koninginnen groeien, hangen we wat extra raampjes darrenraat in deze darrenvolken. Hierdoor komen er meer darren dan normaal in zo’n volk. Een goed darrenvolk heeft ca. acht keer zoveel darren als een normaal volk.

Deze en meer artikelen zijn te lezen in het boek “Koninginnenteelt van A tot Z” en in het boek “Imkerweetjes”. De boeken zijn hier te verkrijgen.

Darren ontstaan uit onbevruchte eitjes en hebben dus geen vader. (Ze krijgen trouwens ook geen zoons.)
Zij zijn een mannelijke kopie van de koningin en dus een mannelijke kopie van de werkbijen in het moedervolk waar we de koninginnen uit teelden.
Deze darren hebben dezelfde eigenschappen die de werksters uit het moedervolk hebben.

Darrenvolken mogen nooit schaarste ervaren en moeten in weelde worden geteeld.

In de nazomer moeten deze volken naar goede stuifmeel drachten gebracht worden, zoals rode klaver, lucerne, phacelia, heide, zonnebloemen, gele mosterd. De koningin moet blijven leggen, er mag geen schaarste zijn. Tot een goede wintervoorraad in de bijenvolken behoort stuifmeel in de raten en goede vet/eiwitreserve in het lichaam van de winterbijen.

De darrenteelt in het vroege voorjaar leidt tot een inspannende situatie in het volk. Het
voornaamste werk (broed verzorgen en broednest temperatuur in stand houden) moet door de winterbijen geleverd worden, de aanwas van jonge bijen is nog gering. Alleen sterke, op 2 bakken overwinterde volken hebben voldoende bijen, zodat door de oude bijen nog darrenbroed verzorgd kan worden. Dat kan al tijdens de eerste wilgen bloei plaats vinden.

Voor een tijdige darrenteelt wordt een lege, één keer bebroede darrenraat van het
vorige jaar, direct tegen het broednest gehangen. Daarnaast komt een goed stuifmeel raam.
Als men geen stuifmeelraam heeft, wordt door Weiss aanbevolen, het bovenste deel van de darrenraat met stuifmeel vervangmiddel te vullen. Aansluitend wordt deze met honingwater, tot op de celbodem gevuld. In noodgeval werkt een voederdeeg met stuifmeel vervangmiddel ook goed. (Poedersuiker, stuifmeelvervanging en honing 1:1:1). Het deeg moet links en rechts van de darrenraat tussen de ramen gedrukt worden. Beter is vanzelf sprekend natuurlijk stuifmeel. De teler kan stukken raat met stuifmeel uitsnijden, in glazen potten in elkaar stampen en met honing overgieten. Indien nodig wordt de massa in warm suikerwater vloeibaar gemaakt en als drijfvoer gegeven.

Rond 10 april plaatsen we een raam met darrenraat of een raam met een stukje kunstraat als voorbouw tegen het broednest. De bijen zullen dit snel uitbouwen met darrenraat en de koningin zal daar onbevruchte eitjes inleggen. Wel controleren dat het darrenraam niet volgedragen wordt met honing anders heb je er niets aan. Na 45 dagen zijn de darren geslachtsrijp en kan het volk naar een bevruchtingsstation. Er zullen daar steeds meer geslachtsrijpe darren verschijnen.

Als de eerste darren in ontwikkeling zijn moeten we zorgen dat deze in de kast blijven en vreemde darren buiten de kast blijven om er zeker van te zijn dat er op het bevruchtingsstation alleen geselecteerde darren rondvliegen. (niet van toepassing als darrenvolken op eigen stand blijven om de darrendruk te verhogen)

Hoe houden we de geselecteerde darren en vreemde darren gescheiden?
In april plaatsen we op de bodem en onder de broedkamer een rand met daarin een darrenrooster en boven dat darrenrooster een vlieggat dat gesloten blijft. De selectiedarren kunnen er niet uit en vreemde darren komen niet verder dan de bodem. Overnachten daar en worden gevoerd door de werksters. De werksters kunnen de kast in en uit zoals altijd.

Verschillende vliegspleten in april en op het bevruchtingsstation

Als eind mei de darrenvolken naar het bevruchtingsstation gebracht worden sluiten we ook het onderste vlieggat.
Op het bevruchtingsstation openen we alleen het bovenste vlieggat. De vreemde darren zitten opgesloten en de geselecteerde darren kunnen de kast in en uit.

Na enkele weken kun je de rand met darrenrooster verwijderen en de dode vreemde darren op de bodem verwijderen.
Dit hoeft echter niet. Bij terughalen van de darrenvolken in augustus blijkt dat er slechts weinig vreemde darren waren opgesloten en bij openen van de onderste vliegspleet, op de eigen stand, worden de darrenlijken direct door de werksters de kast uit gesleept.

Darrenvolken worden in de zomer niet behandeld met zuren tegen de varroamijt om beschadiging van de darren te voorkomen. Gebruik van hiveclean/Beevital is wel toegestaan.

Heb je nog vragen? Of is iets onduidelijk? Laat het even weten in de reacties hieronder!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.